| |

|
|
| |
Rennen, man, naar Praag, naar het vliegveld. Nou ja, rennen, ik loop gewoon door een greppel, een beetje beneveld in een zweverige wolk, want ik drink. We hebben de laatste tijd met de studenten van het Comenium van Theresienstadt flink gedronken. Nu loop ik dus langs de weg, vaak sluipend door de greppel, want ik wil niet dat de politie in de patrouillewagen me ziet. Ik wil niet gepakt worden, ik wil niet dat ze me naar de brand in Theresienstadt vragen. Soms laat ik me in de greppel ploffen, ik nestel me erin, woel met mijn rug in de aarde, dan lig ik gewoon te liggen. Zo zoetjesaan ga ik op weg naar Praag, naar het vliegveld. Er zit nog wat in de fles, Sára’s wijn. Het vlees dat ze me hebben meegegeven is al op. Ik heb me er lang tegen verzet om het op te eten, maar toen ging het wel, ik moest krachten opdoen. De maan is al bijna vol. De rood bakstenen vestingwallen van Theresienstadt heb ik al lang achter me gelaten, al die muren van mijn geboortestad. De stad die, zo vertelde mijn vader altijd, was gesticht door Maria Theresia en sindsdien honderdduizenden soldaten van vele legers had zien passeren, keizerin Maria Theresia was namelijk dol op militaire parades, vertelde mijn vader, majoor van de militaire kapel, die hield van parades met fanfaremuziek in Theresienstadt. Nu loop ik al lang met de rug naar de stad gekeerd voort, al die enorme barakken van Maria Theresia en Jozef II liggen achter me, net als de opslagplaatsen voor miljoenen patronen, stallen voor honderden paarden, kazernes voor tienduizenden kerels, ik vertrek, zoals alle verdedigers van die stad die voor het leger was gesticht... de toevloed van soldaten naar de stad gebouwd voor soldaten was tot stilstand gekomen. En de stad zonder leger vervalt. Mijn geiten, die gras graasden op de vestingwallen, zijn verkocht. De meeste dan. Mijn vader heeft dat niet meer meegemaakt. Ik behoor tot degenen die Theresienstadt probeerden te redden.
Mijn moeder vertelde dat ik ter wereld ben gekomen toen zij en vader me niet meer verwachtten, en ze zei ook vaak dat het voor haar het allermooist zou zijn geweest als ik zo klein was gebleven dat ik in geval van nood in een vingerhoedje kon schuilen. Ik zou op erwtjes leven, om een paar druppels melk met de kat vechten, met een klein doekje om mijn middel rondlopen, ik zou mama’s Klein Duimpje zijn. In het begin was ik ermee verguld, logisch. Maar er was geen ontkomen aan, ik groeide net als iedereen. Ik vond het niet leuk meer als papa met zijn baton in een rood met gele hamertjes en sikkels versierd foedraal naar zijn werk ging en mama de ramen en deuren met kussens en dekens dichtstopte. Ik schijn vroeger in mijn handen te hebben geklapt als mama de meubels naar het midden van de kamer schoof. Tussen al die kasten en kastjes, buffetkasten, omgekieperde stoelen, fauteuils en de deftige divan bouwde ze een veilige schuilplek, een nest voor ons tweeën alleen. Ik verkneukelde me als mama en ik in dat warme nestje dicht tegen elkaar kropen en elkaar vasthielden, tot papa weer thuiskwam en ons uit de geborgenheid haalde. De wereld buiten was reusachtig en mama weigerde daar een stap in te zetten. Zodra het kon begon ik aan haar te ontsnappen. Weet ik veel hoe dat precies is gegaan, op een keer rukte ik me van haar los, ontworstelde me aan haar geurige omhelzing, duwde haar uitgestoken armen weg, kroop onder de divan door, klom over een fauteuil, gaf een klap op de deurkruk, deed de deur open en stormde naar buiten. Ik sloot me bij de andere kinderen aan, we vlogen heen en weer over de vestingmuren, als gekken lieten we ons in het gras vallen en we stonden weer op om verder te gaan. En Kops! Die kenden we allemaal, dat kon niet anders in Theresienstadt. Er was ook nog dat akkefietje met mijn moeder. Enkel Kops ging met haar om. Nou, niet echt, maar hij nam wel bloemetjes voor haar mee. En de tantes probeerden een beetje voor mijn moeder te zorgen. Ze weigerde een stap buiten de deur te zetten. Maar ze kon er altijd op rekenen dat op Vrouwendag, of bij de viering van de bevrijding door het Sovjetleger, Kops haar een reusachtig boeket veldbloemen gaf die hij onder de vestingmuren had geplukt, ver buiten bereik van mijn gulzige geiten, of dat hij haar op Moederdag, want die werd onder het communisme niet gevierd, een beetje stiekem een bosje bloemen onder een laagje rood stof overhandigde, ome Kops nam altijd bloemen voor mama mee en de tantes glimlachten. Vroeger schijnt Kops zelfs weleens een praatje met mama te hebben gemaakt, dat was voor mijn tijd. Wel herinner ik me dat mama op het laatst niet veel meer zei. Ze wilde enkel de hele tijd in elkaar kruipen, zo weinig mogelijk plek innemen, ze zocht een plekje om enkel en alleen nog maar adem te halen, daar had ze genoeg aan. Alle kinderen in Theresienstadt kenden ome Kops. Vroeger dachten we dat Kops zo genoemd werd vanwege zijn langgerekte schedel, waar geen enkele haar uit stak, we dachten dat onze oom Koppe heette, maar zo zat het niet, tante Fridrich had het me uitgelegd, ze had als jong meisje de kleine Kops, de pasgeboren baby, verborgen gehouden in een schoenendoos onder haar brits, want haar brits stond in de hoek van de britsenbarak voor de veroordeelde vrouwen en meisjes, en met die naam Kops zat het zo: de oudste in de britsenbarak was een Slowaakse, toevallig ook nog een vroedvrouw, en die zei toen ze in het vrouwenvertrek bij de geheime bevalling hielp hardop, ook al fluisterde ze, wat iedereen toen dacht: We verstikken hem als-ie z’n kop es niet houdt, had de vroedvrouw gezegd en zo was Kops aan zijn naam gekomen. Bevallen en baby’s verstoppen in een britsenbarak was niet toegestaan, maar de vrouwen hoopten dat het Rode Leger met zevenmijlslaarzen naar Theresienstadt onderweg was, en daar hadden ze gelijk in. Tante Fridrich, of een van mijn andere tantes, was niet bij de bevalling zelf aanwezig geweest, de geheime bevalling werd geleid door oudere, ervaren vrouwen die nu al dood zijn, ik vond het jammer dat mijn tantes toen nog zo jong waren, ze hadden me kunnen vertellen wie Kops’ moeder was, maar eigenlijk maakt dat geen donder uit! het meisje dat Kops had gebaard was waarschijnlijk in het tumult van de oorlogsdagen omgekomen, misschien was ze wel op een van de laatste transporten naar het Oosten gezet, of ze was volgens de tantes waarschijnlijk in een tyfusgraf geëindigd, vanwege de illegale bevalling zou ze toch de kogel hebben gekregen, zo had tante Fridrich het me uitgelegd. Maar we hebben toch niet goed opgepast! zei tante Fridrich toen ze herinneringen aan de oude tijd in Theresienstadt ophaalde, tante Holopírko en tante Dohnal waren juist bij haar over de vloer, tante Fridrich liet haar blik over de wanden van haar kleine woning glijden waar ik naar informatie was komen vissen, toen klonk in tantes keel het borrelen van een onderdrukte lach, ten slotte barstte ze in lachen uit en tante Holopírko en tante Dohnal, die net als zij hun jonge jaren in Theresienstadt hadden doorgebracht, lachten ook.
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
Chladnou zemí |
Vertaling: |
Edgar de Bruin
|
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|