Een voorstelling op de keukendeur
Altijd als ik voor een paar dagen wegga laat ik voor de kinderen een kleine tekening achter. Op het velletje van een notitieblok, of op hun eigen krijtbordje. Met een paar krassen teken ik dan een trein of auto met uit het raam hangend een poppetje dat zwaait – dat mij moet voorstellen. Het komt in de plaats van de geschreven tekst die ik altijd al voor mijn vrouw achterliet nog voor we kinderen hadden. Op een ochtend toen ik met veel haast de deur uit moest om wat langer dan normaal onderweg te zijn, dacht ik net op tijd aan de tekening. Ik zette mijn tas neer voor de schuifdeur in de keuken, waar een laag schoolbordverf op zit, en griste een krijtje uit het bakje boven op de koelkast. We zouden elkaar ruim een week later treffen in het huis van mijn schoonmoeder in Amsterdam, waar zij met z’n drieën in onze blauwe Citroën Berlingo heen kwamen.
Ik begon te groot met het huis van mijn schoonmoeder, maar in de haast koos ik ervoor sneller te gaan tekenen in plaats van de wisser te pakken om opnieuw te beginnen. In een paar trekken stonden de belendende Amsterdamse panden ertegenaan, en hing ik uit het raam op de tweede verdieping met een brede lach te zwaaien naar een blokkerig geschetste Berlingo. Door het gebrek aan diepte in de tekening was ik bang dat ze niet zouden zien wat het voorstelde. Snel pakte ik alle krijtjes van de koelkast en begon de auto blauw te kleuren, het huis lichtoranje. Met geel tekende ik een nagelvormige maan. Nog een stoepje ervoor met vier bruine amsterdammertjes, en toen moest ik echt weg.
De getekende groet is vanzelfsprekend bedoeld voor de achterblijvers, net als de woorden ‘tot ziens’ mij zo lang moeten vervangen tot ik weer te zien ben. Maar de afscheidstekeningen vormen ook een ritueel dat mijn eigen heimwee moet onderdrukken.
De voorstelling op de deur werd naderhand nooit uitgewist. Het boodschappenlijstje priegelen we er nog altijd boven, in de ruimte die overbleef naast de maan.
Toen ik op een avond zocht naar een plekje waar ik ‘afwasmiddel’ nog aan het lijstje kon toevoegen bleef mijn blik aan de tekening hangen en dacht ik terug aan het jaar ervoor, toen ik de voorstelling erop kraste.
Ik bedacht ineens waarom voorbije verlangens altijd zo gedateerd lijken, niet omdat je zulke verlangens niet meer hebt, maar omdat geen voorstelling in staat is het hele verlangen te omvatten. Dat ligt niet aan de gebrekkigheid van de voorstelling, maar aan de onuitputtelijkheid van elk verlangen.
De voorstellingen van onze verlangens mogen dan onvolkomen zijn, elk verlangen vraagt wel om zo’n verbeelding, dat is immers waar we naar uitzien.
De krijttekening die het tamelijk banale verlangen om als gezin samen te zijn vertegenwoordigde, bewaarde de herinnering aan hoe we toen waren. En daardoor bood het tekeningetje een inkijk in mijn gevoelens destijds, en zag ik dat mijn verlangens niet vervuld waren. Niet omdat we elkaar na een ruime week niet weer terugzagen bij mijn schoonmoeder in Amsterdam. Integendeel, alles liep zoals gepland en verwacht. Maar omdat het gevoel van weerzien nooit kan samenvallen met dat waar we naar uitzagen.
Want wat willen we eigenlijk als we verlangen? Bij ieder weerzien bejegenen mensen elkaar alsof het zo hoort te zijn. We zien elkaar en gaan met elkaar over tot de orde van de dag, totdat we weer voor kortere of langere tijd uit elkaar moeten. Wat missen we, als we elkaar missen? Missen we elkaars aanwezigheid, of missen we wat we ook missen als we bij elkaar zijn, dat we werkelijk in elkaar kunnen opgaan alsof we één zijn? Waar praten we over als we samen zijn? Waarom lachen we? En waarom huilen we?
Is ons gedrag wanneer we samen zijn niet ook als een tekening die overblijft wanneer we even weg zijn? Komt het spel dat we met elkaar spelen niet ook in de plaats van we eigenlijk willen?
Want wat is contact tussen mensen, tussen de mens en de wereld, tussen hem en zijn tijd, anders dan een substituut voor het contact dat geen vragen onbeantwoord laat? Dit boek gaat over de aard van dat verlangen. Over de voorstellingen die in plaats komen van wat we willen omarmen, maar wat we niet kunnen omarmen.
En zo komt ook dit boek, net als ieder ander boek, in plaats van wat ik eigenlijk wilde zeggen, maar waar de woorden niet voor zijn.