De Tao is de naamloze en onbenoembare kern van al wat bestaat en benoembaar is. Als zodanig kan hij onmogelijk als een concreet 'ding' of zelfs maar een bestaande entiteit worden beschouwd en moet hij ontsnappen aan alle eigenschappen die men hem probeert toe te dichten.
Maar de Tao verbergt zich niet alleen - hij is ook aanwezig in alles wat bestaat, en in die zin zijn dan weer alle eigenschappen zonder uitzondering eveneens op hem toepasbaar. In hoofdstuk 25 wordt de Tao het Grote genoemd, in hoofdstuk 32 heet hij dan weer heel klein, en in hoofdstuk 34 wordt expliciet gesteld dat hij zowel het Kleine als het Grote kan worden genoemd, waarbij de voornaamste reden om hem Groot te noemen gelegen blijkt te zijn in het feit dat hij zich niet als 'groot' manifesteert. In hoofdstuk 67 wordt de Tao Groot genoemd, omdat en in zoverre hij verschillend is van alles wat we uit de zichtbare wereld kennen (en dus ook niet in de gewone ruimtelijke zin 'groot' kan zijn).
In de hoofdstukken 41 en 45 stapelen de Tao-paradoxen zich op: 'de heldere Tao lijkt duister; de Tao die vooruitgaat, lijkt zich terug te trekken; [...] het grote geluid is geluidloos, het grote beeld is vormloos' (hoofdstuk 41). De Tao blijkt het onbepaalde en ondefinieerbare te zijn (hoofdstuk 21), datgene wat niet kan worden gezien (kleurloos), niet kan worden gehoord (geluidloos) en niet kan worden aangeraakt (vormloos) en dus in zekere zin 'niets' (niet-iets) is. Toch is de Tao ook meer dan het vormloze van het onbestaande; hij is de 'vorm zonder vorm' en in die zin eeuwig en alomtegenwoordig.
Bijzonder illustratief is de vergelijking van de Tao met de leegte waaromheen de spaken van een wiel kunnen draaien, de holle binnenkant an een kruik die met vloeistof gevuld kan worden, of de gaten in een muur die een kamer toegankelij kmaken: in al deze gevallen is het uitgerekdn dat wat ér niet is' wat deze dingen bruikbaar maakt (hoofdstuk 11). Zo hebben alle dingen die bestaan niet alleen een vorm nodig, maar - nog veel wezenlijker - een lege ruimte binnenin. Deze ruimte, die niet van het ding zelf te onderscheiden valt en toch ook niet tot het ding behoort, is de Tao. Het betreft hier dus, in westers-filosofische termen uitgedrukt - al passen deze termen niet echt in het taoïsme -, de meest ultieme mogelijkheidsvoorwaarde van iedere denkbare bestaansvorm, het alleroorspronkelijkste 'begin' dat er al moet zijn geweest van vóór het begin en dat dus samenvalt met zowel het einde als de hele afgelegde weg - de eeuwige Tao. 'De tienduizend dingen worden geboren uit wat is, en wat is, wordt geboren uit wat niet is' (hoofdstuk 40).