Over smaak valt niet te twisten. Wat de een lekker vindt, vindt de ander vies. Er bestaat niet zoiets als een objectieve vaststelling of iets lekker is of vies. Wat lekker is en wat vies, wordt voor een groot deel bepaald door de cultuur waarin je leeft en de opvoeding die je gehad hebt. Zo zijn er op deze wereld heel veel mensen die de ogen van een koe een ware lekkernij vinden; of de testikels van een hond; of de weke delen van een slak; of de tong van een os; of de poot van een varken. Het hangt slechts af van de cultuur waarin je bent grootgebracht. Bij voedsel geldt bij uitstek dat de smaak beïnvloed wordt door je voorkennis. Die heerlijke kruidige soep die je op je reis naar het verre oosten kreeg voorgezet, smaakte best lekker totdat de waard je trots vertelde dat de bouillon getrokken was van verse geiteklootjes met sprinkhanen.
Er zijn ook gerechten die je moet leren eten. Spruitjes en witlof bijvoorbeeld worden door jonge kinderen vaak niet lekker gevonden, vanwege hun bittere smaak. Later leer je die smaak waarderen, tenminste als de bitterheid wordt verpakt in een verzachtende room- of kaassaus, of gekoppeld aan hartige of zoete smaken. In feite blijft bitterheid in pure vorm een smerige smaak, maar in combinatie met andere smaken kan het lekker gevonden worden. Bitterheid wordt in pure vorm vies gevonden omdat het van oorsprong een waarschuwingssignaal is tegen het eten van giftige stoffen.
Zo heeft het lichaam meer van die ingebouwde waarschuwingssignalen. Een kind dat per ongeluk een slok jenever neemt, gilt het uit van schrik en pijn: het is een brandend gevoel op de tong en in de keel. Een kind dat per ongeluk rook inademt, begint hevig te hoesten. Het lichaam waarschuwt dat de kwaliteit van de ingeademde lucht onvoldoende is.
Bijna elk mens dat voor het eerst van zijn leven een hap rook inhaleert, begint te hoesten, krijgt tranende ogen en wordt soms zelfs misselijk. Het menselijk ademhalingssysteem is helemaal niet gebouwd op het inademen van rook. De eerste sigaretten die je rookt, zijn dan ook helemaal niet lekker. Dat is trouwens tevens de reden dat je eraan verslaafd kon raken. Stel je voor dat bij het roken van je eerste sigaret meteen een gelukzalige roes over je zou neerdalen, dat je zou uitroepen: ‘O, wat is dit ontzettend heerlijk.’ In dat geval zou je meteen gewaarschuwd zijn voor het gevaar verslaafd te raken.
Maar je vond die eerste sigaret smerig, en die tweede en derde misschien ook nog wel. En je dacht: Dit is zo vies, hier raak ik nooit aan verslaafd. Dus rookte je af en toe een sigaretje, gewoon, om erbij te horen, voor de gezelligheid, omdat het niet mocht van je ouders, of om welke reden dan ook. En zo raakte je ongemerkt verslaafd, en leerde je geleidelijk om het roken lekker te vinden. Van belang daarbij is dat anderen het ook lekker schenen te vinden, en dat je er toch pas echt bij hoort als je het ook lekker vindt.