Yoga en zen
Zowel het Hinayana- als het Mahayana-boeddhisme schetsen een weg die uit het lijden voert naar het geluk of de verlichting. Hierbij zetten ze verschillende filosofische middelen in, bijvoorbeeld het doorzien van de ‘zelf-illusie’ uit het Hinayana en de leer van de leegte uit het Mahayana. Het boeddhisme bestaat echter uit meer dan filosofie: het heeft ook een praktische kant. Voor een boeddhist is het niet voldoende om bevrijdende leerstellingen en theorieën te begrijpen, hij moet ze tevens realiseren. Zonder beoefening kan hij zich de leer nooit geheel eigen maken en blijft hij gevangen in de cyclus van wedergeboorte. Om aan zijn bevrijding te werken, houdt de boeddhist zich bezig met geestelijke en lichamelijke oefeningen, zoals het reciteren van mantra’s of meditatie. In het zenboeddhisme, dat zijn naam aan het Sanskrietwoord voor ‘meditatie’ dankt, is deze praktische kant bijzonder belangrijk.
De zenboeddhistische meditatiepraktijk werd in China ontwikkeld, maar heeft zijn wortels in de Indiase yoga. Overigens is de oorsprong van dit fenomeen niet te achterhalen: misschien stamt het zelfs al uit het vierde millennium v.Chr. Deze aanname wordt ondersteund door een archeologische vondst uit de bronstijd: drie prehistorische zegels waarop een onbeweeglijk zittende figuur staat afgebeeld.
Het woord ‘yoga’ is afgeleid van de Sanskrietwortel ‘yuj’, die onder andere ‘samenbinden’, ‘disciplineren’ en ‘in het juk spannen’ betekent. De term slaat op een religieuze inspanning die de mens moet leveren om een bevrijdende ervaring te ondergaan. In het klassieke India neemt deze inspanning allerlei vormen aan, zoals ascese, concentratieoefeningen en meditatie.
De van oorsprong inheems-Indiase yoga werd later zowel door het hindoeïsme als het boeddhisme opgenomen. Een praktische overeenkomst tussen het boeddhisme en yoga is te zien op de vele afbeeldingen van Boeddha, die onder een boom mediteert. Hij zit rechtop met gekruiste benen, een houding die overeenkomt met een yogabeoefenaar. In het zenboeddhisme keert deze yogahouding terug in het onbeweeglijke mediteren, waarbij de beoefenaar op zijn kussen de lotushouding aanneemt of op een knielbankje zit. Veel Indiase filosofieën gebruiken yoga als middel om een hogere, onzichtbare werkelijkheid te bereiken. Zo niet het (zen)boeddhisme. Het doel van zenmeditatie, de verlichting, is dan ook niet om aan de alledaagse werkelijkheid te ontsnappen, maar juist om hier een volstrekt open en direct contact mee te krijgen. Bovendien is deze verlichting een sociaal proces. De mens bereikt de bevrijding niet voor zichzelf als een wereldvreemde kluizenaar, maar in interactie met anderen. Dit sociale aspect van zen wortelt in Boeddha’s preken en het bodhisattva-ideaal uit het Mahayana, maar heeft evenzeer te maken met zijn Chinese erfenis.