De slag bij Gaugamela (331)
In het vroege voorjaar van 331 brak Alexander uit Egypte op. Langs de kustweg trok hij noordwaarts naar Tyrus, waar hem berichten en gezanten uit de Griekse wereld bereikten. De Spartaanse koning Agis iii – Sparta was anders dan de meeste Griekse staatjes formeel niet aan Macedonië onderworpen – was een oorlog begonnen tegen Antipatros, de door Alexander achtergelaten regent. Als Agis op grote schaal steun zou krijgen van de Griekse stadstaten, inspelend op hun wrok over het verlies van onafhankelijkheid, kon de toestand in Europa voor Alexander gevaarlijk worden. Voorlopig wachtte hij af. Hij gebruikte de tijd om allerlei benoemingen en reorganisaties in de door hem veroverde westelijke satrapieën door te voeren, daarmee de rol op zich nemend van een nieuwe Koning der Koningen. Net als in Memfis organiseerde hij hier ook Griekse spelen, ditmaal bijzonder luisterrijk. Optredens van Atheense acteurs met het toen ook al klassieke repertoire van het Atheense drama hadden in het bijzonder zijn aandacht. Zo begon een duizendjarige aanwezigheid van Griekse cultuur in het Nabije Oosten. Vóór de komst van Alexander en zijn leger hadden de bewoners van Syrië en Fenicië wel eens Griekse huursoldaten gezien en in de havensteden ongetwijfeld Griekse zeelui en handelaren; verder was Griekse invloed al merkbaar in de munten die de westelijke satrapen sloegen en in architectuur en beeldhouwkunst. Maar de verovering van deze streken door Alexander luidde cultureel een nieuw tijdperk in.
De beslissende slag met Dareios moest nog gestreden worden. Ongetwijfeld was het Alexander bekend dat de Grote Koning in Babylon een reusachtig leger verzamelde. In mei 331 verliet hij Tyrus in noordoostelijke richting. De door hem aangestelde satraap van het gebied tot aan de Eufraat was in zijn taak om voor het leger de vereiste voedselvoorraden te verzamelen tekortgeschoten en werd door Alexander vervangen. Het betekende dat het leger niet met eigen voorraden langs de Eufraat richting Babylon kon trekken – een strategie waar Dareios vermoedelijk op gerekend had. Bij Thapsakos stak het in juli de Eufraat over en volgde het een oostwaartse route door Noord-Mesopotamië, het gebied waar meestal net voldoende regen viel om de paarden en lastdieren te kunnen laten grazen, want verder zuidelijk was Mesopotamië op smalle stroken langs de Eufraat en Tigris na een regenloze woestijn. Door het land van het oude Assyrië ging het oostwaarts de Tigris over, en dan zuidoostwaarts tot aan Arbela (nu Arbil).
Kort na het overtrekken van de Tigris, op 20 september, vond een maansverduistering plaats die door de belangrijkste deskundige op het gebied van voortekens, de ziener Aristandros, als een gelukkig omen geduid werd. Ontwikkelde Grieken kenden in deze tijd de natuurlijke verklaring van een maansverduistering en Alexander had die vermoedelijk ook van Aristotele¯ s geleerd, maar voor de massa van de soldaten was het verschijnsel nog altijd beangstigend en vereiste het een geruststellende uitleg. Alexander bracht de volgende morgen offers aan Zon, Maan en Aarde, de drie vergoddelijkte kosmische lichamen die inderdaad voor de eclips verantwoordelijk waren, en liet weten dat het om een gunstig teken ging. Ook de Babylonische priesters namen het fenomeen waar en moeten het in de context van de die nacht zichtbare planeten en de heersende windrichtingen als ongunstig geduid hebben, zoals we kunnen opmaken uit bewaard gebleven fragmenten van de Babylonische Astronomische Dagboeken. Het is overigens twijfelachtig of zij zo laat nog, toen het leger al praktisch de plaats bereikt had waar Dareios slag wilde leveren, de Grote Koning zelf ook over hun sombere interpretatie inlichtten. Eerder zullen zij hem aangeraden hebben om met offers aan de verantwoordelijke goden mogelijk onheil af te wenden, niet veel anders dan Aristandros’ raad aan Alexander geweest moet zijn.